Goede lessen – Herinneringen aan het Kennemer, 1945-1949

3 maart 2008 0 comments Eylard Wurpel Categories Geen categorie
Spread the love

 – Door Sander Schimmelpenninck van der Oye, M.A.

Mijn tijd als lyceist ging slecht van start. In 1943 deed ik toelatingsexamen voor het Baarns Lyceum. Dat voorjaar begon mijn leven te ontrafelen. Mijn vader stierf. Mijn grote broer werd verraden tijdens een poging naar Engeland over te steken en verdween in een concentratiekamp. Mijn zuster ging in het verzet en kwam weinig meer thuis. Het was het midden van de oorlog.

Dat najaar begon ik op het Baarns Lyceum. Ik lette niet op en deed mijn huiswerk niet. Mijn moeder haalde mij van school en zond mij naar de Werkplaats Kindergemeenschap van Kees Boeke in Bilthoven. Daar lette ik niet op en deed geen huiswerk.

Ik verloor anderhalf jaar. In 1945 kreeg ik in Baarn bijles in Frans, Duits, algebra, en meetkunde. Daarna mocht ik naar 3 gym op het Kennemer. Dat had mijn moeder gedaan gekregen van de rector van het Kennemer, de geniale pedagoog De Vletter.

De leraren

Ik ging naar een internaat in Bloemendaal. Dat had een goed, onvoorzien effect op mij. Ik vond het er zo erg dat overdag naar school gaan een pretje was. Tevens had het Kennemer in die tijd een aantal leraren aan wie ik met dank en bewondering terugdenk.

De primus inter pares onder die leraren was de rector, De Vletter, die ik mij herinner als een man van middelbare leeftijd met een witte baard. Tot dusver had ik veel leerkrachten gezien als hardhandige gezagsfiguren. Zo niet De Vletter, een zachtmoedige man met duidelijke principes. Dat demonstreerde hij dagelijks door enkele minuten voor schooltijd achter een tafeltje post te vatten in de leerlingeningang. Laatkomers moesten een uur overblijven in een lokaal waar hij na enen de wacht hield. Je kreeg daar geen strafwerk, alleen maar de gelegenheid om aan je huiswerk te beginnen.

Op een dag dat ik te laat was liep ik binnen via de lerareningang.In de pauze hield De Vletter mij staande. Ik moest tijdens het overuur een plattegrond van de school tekenen waarop duidelijk bleek welke ingang voor wie was. Ik kreeg geen standje. De Vletter behandelde leerlingen als mensen die zelf hun conclusies konden trekken.

En hij was iemand die durfde te gokken. Hij liet mij toe na anderhalf jaar nietsdoen met bijspijkeren in slechts enkele vakken omdat hij jaren eerder mijn broer en zuster had gewaardeerd. In 2008 verhaalde een oude vriendin van mij iets dergelijks. Zij was de jongste van vier meisjes die het gevreesde Japanse interneringskamp Tjideng in Nederlands-Indië hadden overleefd. Twee oudere zusters deden het goed op het Kennemer. De schoolprestaties van mijn vriendin tot dan waren volgens haar zeggen maar zo-zo. De Vletter gaf haar niettemin een kans—die zij met succes aangreep.

De eerste leraar die ik mij herinner was Oldewelt, die Latijn gaf in het eerste lokaal rechts als je van de hoofdingang naar het biologielokaal liep. Hij was in 1922 begonnen op het Kennemer . Op de achtermuur stond in het Grieks “Geen enkele gedwongen lering is blijvend in de geest”. Wat staat daar, vroeg iemand. Oldewelt vertaalde het voor ons. Hij had iets professoraals—en werd een jaar later hoogleraar. Aan het eind van die eerste les zei hij: “En nu het huiswerk”. De klas, nieuw voor mij maar na twee jaren al een eenheid, draaide zich unaniem om naar de wandspreuk en terug naar Oldewelt, met verwijtende gezichten. “Ja, maar toch” zei hij, of zoiets. Wij accepteerden het zonder morren; hij was iemand naar wie je luisterde.

“Bij de volgende hap ga je er automatisch uit”

Onze andere classicus was Nolthenius, die Grieks gaf. “Nol” was een vrij lange man van middelbare leeftijd met een gelooid gezicht dat men toeschreef aan zijn tijd in en Duits gevangenkamp. Hij had een neiging tot imposante zinswendingen en een sterke tong-r. Nolthenius werkte sedert 1926 op het Kennemer. Daarvoor was hij cellist in het Concertgebouworkest, zo vertelde mij onlangs een klasgenote van toen.

Tijdens de pauze kocht ik altijd een broodje van een venter met een bakfiets en at dat in het uur daarna op. Op de lagere school had ik al geleerd achter in de klas te zitten. Dan val je minder op, en leerkrachten hebben onderweg naar je bank meer tijd om af te koelen voordat zij je een draai om je oren geven.

Zo peuzelde ik mijn broodje op tijdens een van onze eerste lessen bij Nolthenius. Hij stond voor het bord, met zijn rug naar de klas. “Sanderr”, zei hij conversationeel, zonder zich om te draaien, “Wij sprreken dit af: bij de volgende hap ga je err automatisch uit”. Mijn klasgenoot Frans Karel Adriaanse verwijt hij mij nog dat ik die laatste hap niet heb genomen. Ja, een beetje slap.

Oldewelts opvolger als leraar Latijn, de latere conrector Merckens, fietste vaak naar huis met Nolthenius. Op een goede dag kwam hun gesprek op mijn klasgenote Ingrid van Tongeren, die piano speelde. Merckens vertelde: “Het zat er natuurlijk in dat meneer Nolthenius nu zo vragen of zij nog speelde of zoiets. En daar zitten geen erren in. Maar hij vroeg: `En hanteerrt zij nog het klavierr?”

Een nul

Een andere wandspreuk hing in het natuurkundelokaal: “Sucht den ruhenden Pol in der Erscheiningen Flucht –Schiller”. Die woorden zijn mij bijgebleven als een principe van de exacte wetenschappen, een oude liefde van de bèta in mij.

Onze natuurkundeleraar, Huizinga, had ons ook van meet af aan in zijn greep. Evenals Oldewelten Nolthenius, was hij een van de senioren op het Kennemer, in dienst sedert 1930. Grijs haar. Noordelijk accent. Nooit lachen. Wij luisterden naar hem. Veel van wat ik een halve eeuw later weet in mijn hobby’s voor elektronicaen weerkunde komt van zijn lessen.

Ik heb eens gespiekt op het Kennemer, tijdens een natuurkundeproefwerk. Huizinga stond voor de klas en keek in mijn richting toen ik het spiekbriefje terug schoof in de ruimte onder mijn lessenaar. Hij name en stap in mijn richting. Nog een stap. Een minuut later weer een. De hele klas merkte nu dat er iets gaande was, maar wat? Na tien minuten stond Huizinga naast mijn bank, haalde het spiekbriefje tevoorschijn, schreef een nul op mijn werk, en schoof het spiekbriefje terug—alles zonder een woord.

Dichtbij Huizinga’s lokaal was dat van de scheikundeleraar Tiessens, een korzelige man die mij niet kon uitstaan. Welnu, ik hem ook niet. Anorganische scheikunde was overkombaar. Natriumchloraat, zwaveligzuur en ozon: structuurformules die je achterop een postzegel kon tekenen. Maar toen kwam organische scheikunde en het regende vieren op mijn proefwerken.

In de hal onder de klok vatte de biologieleraar,Wichers,mij bij het oor. Hoe ging het met mijn scheikunde? Terwijl ik naar een antwoord zocht zei hij: “Mijn lokaal, dinsdag om twee uur, schrift en pen meenemen”. Daar zaten wij naast elkaar in een bank. “Hier komt de op twee na laatste zin, Sander”. Ik schrijven. Hij gaf geen huiswerk, maar wanneer hij sprak luisterde je. Ik ging over met een voldoende voor scheikunde.

“Vraag meneer Wichers wat ik hem schuldig ben”, zei mijn moeder. Hij antwoordde: “Mijn respect aan je moeder, maar zeg haar twee dingen van mij. De school betaalt mij al, en ik ben ook chemicus.”

Zo doceerde Wichers ook zijn eigen vak. Vier zinnen opschrijven per les uur: wanneer de claxon van de conciërge afging na de derde en laatste zin kwam er altijd nog een allerlaatste. Geen huiswerk, geen boeken. En geen proefwerken. In plaats van de laatste kwam je bij toerbeurt na schooltijd op je eentje naar zijn lokaal voor een tentamen.

Op een middag in ons eerste jaar in Leiden gingen Frans Karel Adriaanse en ik op het Kennemer langs, gewoon om even door de lege gangen te lopen—een soortsentimental journey. Aan het eind van de noordelijke gang zagen wij door het raam in een deur Wichers, naast een jongen in een bank. Wichers zag ons en wenkte ons naar binnen. “Stil zijn, Kees hier doet examen”. En hij hervatte “Waar zit de baarmoeder van een konijn?”. Kees wist het niet. Hij keek radeloos. “In zijn neus?” Nee, meneer, niet in zijn neus, hahaha. “Heel goed, Kees, je hebt nu al een tien.”

Ondanks Wichers’ onconventionele stijl behaalden zijn leerlingen meestal goede resultaten, ook op het eindexamen—waar gecommitteerde hoogleraren het toezicht hielden om de gestrengheid te handhaven. Hoe schiep Wichers dat pijnloze perpetuum mobile? Ik wilde dat ik het wist.

Pappie

Even ongebruikelijk was onze leraar Engels, P.A. “Pappie” Erades, een enigszins korte man met een buikje die op het werk verscheen met een uitpuilende burgerlijke aktetas van het type dat je met één grote gesp sloot. Zijn gedrag zou nu (2008) tot hevige protesten hebben geleid, want tegenwoordig protesteert iedereen altijd tegen alles. Erades streelde meisjes over het hoofd. Hij streelde jongens over het hoofd. Hij zei tegen de verlegen Barbara Eckelt von Pelkinien: “Spreek luider. Luider. Schreeuw!” En hij trok mij soms schandalig voor: “Sander, jij hoeft deze les niet op te letten. Hier is de nieuwe Life, ga die maar lezen.” Ja, zo schandalig dat niemand in de klas zich eraan stootte: het was te gek om waar te zijn.

Orde houden was niet Erades’ sterkste zijde. Onze klas was goedaardig, maar de verleiding hem te jennen was groot. Dan pakte hij soms zijn uitpuilende burgerlijke aktetas vol en liep het lokaal uit. Vaste prik. Bij de deur hield hij even stil. “Weten jullie wat ik ga doen? Ik ga naar het lerarentoilet. Daar ga ik overgeven. En ik kom niet terug.” Dan renden wij hem op de gang achterna met beloften van beter gedrag—want ook hij boeide ons.

Naast Erades’ grollen is ook zijn liefde voor zijn vak mij bijgebleven. Zo verzamelde hij goede vertalingen in schriftelijk werk tijdens eindexamens. Sommige schreef hij op het bord om ons subtiliteiten van het Engels bij de brengen. “Kinderen, een zoen van een vertaling” zei hij dan.

Waren alle leraren zo goed? Natuurlijk niet. Sommige waren saai; je werkte voor hen omdat dat erbij hoorde, niet voor je plezier. Een enkele was soms nodeloos nijdig. Tijdens Frans schreef ik eens een kattebelletje voor een meisje voor wie ik even ogen had: “Lieve Leineke, ik zit bij Torentje Bussekruit”. De soms nodeloos nijdige leraar, in de zestig, pakte het briefje en las de zin luid voor. Mijn klasgenoten deden alsof zij niet lachten. Ik moest naar de rector, toen nog De Vletter. Het was de laatste dag voor de vakantie. “Zo, Sander. Eens even kijken. Ja, meneer die-en-die is dit uur aan het voorlezen. Ga maar na zijn lokaal.”

De goede afloop

Het eindexamen kwam, die gevreesde dag. Schriftelijk in een muisstille zaal meteen leraar die scherp toekeek. En mondeling met professoren erbij die u tegen je zeiden—een zeer onwennige benadering. Maar ook die gesprekken hadden hun humoristische momenten. De alpha Frans Karel moest de Latijnse vloek “me hercule” vertalen. “Verdikkie”, probeerde hij. Nee, meneer Adriaanse, te zwak. Verdorie! Nee, sterker. Verdomme, professor! Heel goed, meneer Adriaanse.“

Meneer Schepers, kunt u het volgende bewijzen?” vroeg een professor aan onze wiskunde bolleboos en klassenvoorzitter Dick. “Nee, professor, maar ik ben wel bereid het tegendeel te bewijzen.” En hij deed het.

Die professor was ene Gravemeier. Ik trok hem onder meer voor mijn mondeling natuurkunde, wat goed verliep dank zij het opletten bij Huizinga. Aan het eind zei hij: “Meneer Schimmelpenninck, ik hoor dat u een hobby heeft voor weerkunde. En ik werk bij het KNMI. Heeft u zin om tussen de middag te gaan wandelen? Dan kunt u vragen wat u wilt.” Dat was bekokstoofd door Huizinga, die nooit lachte en die mij in de derde een nul had gegeven.

* * *

Negenenvijftig jaar later denk ik met warmte terug aan het Kennemer.

Oakville, Ontario, Canada
Maart 2008


Heeft u nog leuke herinneringen, anekdotes of andere wetenswaardigheden over uw vroegere tijd op het Kennemer Lyceum? U kunt ze sturen naar webmaster@aelbertsberg.nl en wij plaatsen ze hier.